University of Twente Student Theses

Login

De fysieke activiteit en kwaliteit van leven van patiënten met een ernstig psychiatrische aandoening in de langdurige zorg

Deenik, J. (2014) De fysieke activiteit en kwaliteit van leven van patiënten met een ernstig psychiatrische aandoening in de langdurige zorg.

[img]
Preview
PDF
1MB
Abstract:Introduction. There is a growing interest in the relationship between physical activity and mental health. However, there was no proper knowledge about the physical activity levels of inpatients with Severe Mental Illness (SMI) in long-term psychiatry. The purpose of this exploratory study was to objectively measure the level of physical activity of this population for the first time on a large scale and to compare this with data from people without SMI. Gender differences and the relationship with subjectively assessed physical inactivity were investigated. A second aim of the study was to explore the relationship between physical activity and quality of life. Relationships with demographic and disease characteristics were Samenvatting Introductie. Er is door de jaren heen in de zorg steeds meer interesse gekomen voor de relatie tussen fysieke activiteit en mentale gezondheid. Tot dusver was er echter een onvolledig beeld van de fysieke activiteit van patiënten met een Ernstig Psychiatrische Aandoening (EPA), die langdurig opgenomen zijn. Het doel van dit exploratieve onderzoek was om voor het eerst op grote schaal de mate van fysieke activiteit van patiënten met een EPA objectief in kaart te brengen en te vergelijken met mensen zonder EPA. Hierbij werden verschillen tussen mannen en vrouwen en de relatie met subjectief beoordeelde inactiviteit onderzocht. Het tweede doel van de studie was om de relatie tussen fysieke activiteit en kwaliteit van leven te onderzoeken. De relaties van demografische en ziekte-specifieke kenmerken met zowel fysieke activiteit als kwaliteit van leven werden hierbij geanalyseerd. Het derde doel was om te kijken in hoeverre attitude en waargenomen gedragscontrole ten aanzien van fysieke activiteit gerelateerd zijn aan de mate van activiteit. Methode. Een onderzoek met een cross-sectioneel gecontroleerd design werd uitgevoerd bij het psychiatrisch ziekenhuis van GGZ-Centraal, Zon & Schild te Amersfoort. Deelnemers waren 184 patiënten van de afdelingen voor langdurige psychiatrie en een controlegroep van 54 medewerkers van GGZ Centraal. Fysieke activiteit werd gemeten met actigrafen (ActiGraph GT3X+) om sedentaire, lichte en gemiddeld tot hoog intensieve activiteit te meten. Objectief gemeten fysieke activiteit werd vergeleken met de subjectief afgenomen schaal voor fysieke activiteit van de Nurse Observation Scale for Inpatiënt Evaluation (NOSIE). Kwaliteit van leven werd gemeten met de EuroQol-5D en de World Health Organisation Quality of Life-Bref. Attitude werd gemeten door middel van de Physical Activity Enjoyment Scale (PACES) en waargenomen gedragscontrole met de Multidimensional Self Efficacy Questionnaire (MSEQ). Verschillen tussen groepen werden geanalyseerd met t-toetsen (continue variabelen) en Pearson chi-kwadraat toetsen (categorische variabelen). Pearson correlatiecoëfficiënten en hiërarchische regressiemodellen werden gebruikt om associaties te analyseren tussen fysieke activiteit, kwaliteit van leven, attitude en waargenomen gedragscontrole en demografische en ziekte-kenmerken. Resultaten. De patiënten waren zeer sedentair tot bijna anderhalf keer minder actief dan de controlegroep. Leeftijd hing negatief samen met fysieke activiteit. Er was een matige relatie tussen de objectief gemeten fysieke activiteit en de subjectief beoordeelde inactiviteit. Een hogere fysieke activiteit correleerde met een hogere EQ-5D indexscore en het fysieke domein van de WHOQoL-Bref. In regressieanalyses had fysieke activiteit echter geen voorspellende waarde voor deze domeinen. Mannen hadden een betere fysieke kwaliteit van leven en een hogere ziekte-ernst werd gerelateerd aan een lagere kwaliteit van leven. Beide waren significante voorspellers. Het gebruik van antidepressiva en dubbele antipsychotica werden beide geassocieerd met een lagere psychologische kwaliteit van leven. Schizofrenie en een bipolaire stemmingsstoornis werden significant geassocieerd in regressiemodellen voor respectievelijk de fysieke kwaliteit van leven (R2Adj. = .12) en de EQ-5D indexscore (R2Adj. = .11). Het is echter, vanwege de zwakke verklarende waarden, moeilijk om conclusies te trekken wat betreft de significante variabelen in deze modellen. Attitude en waargenomen gedragscontrole hingen niet samen met de objectief gemeten fysieke activiteit. Conclusie. Deze studie laat voor het eerste op grote schaal het overwegend sedentaire gedrag zien van patiënten met EPA in de langdurige zorg. De patiënten met waren behoorlijk minder actief dan mensen zonder EPA. Patiënten met een hogere leeftijd waren minder actief. De NOSIE subschaal voor inactiviteit lijkt een matige maat om de mate van fysieke activiteit van patiënten in te schatten. Patiënten met een hogere fysieke activiteit hadden een betere kwaliteit van leven op de schalen die zich hoofdzakelijk richtten op fysieke gesteldheid. Hogere ziekte-ernst en het gebruik van antidepressiva en dubbele antipsychotica hadden een negatieve invloed op kwaliteit van leven. Vanwege het ontbreken van relaties tussen attitude en waargenomen gedragscontrole met fysieke activiteit lijkt het voor toekomstige interventieontwikkeling niet effectief om in te zetten op cognities van de patiënt. Het integreren van bewegingsstimulering in de dagelijkse structuur van de behandeling kan een eerste stap zijn om patiënten meer te laten bewegen. Het meten van fysieke activiteit bij deze doelgroep blijft complex. De uitkomsten van dit onderzoek maken het echter, samen met de reeds bekende gezondheidseffecten en de actualiteit en relevantie van dit onderwerp binnen de GGZ, de moeite waard komende jaren te investeren in meer onderzoek op dit gebied. Abstract Introduction. There is a growing interest in the relationship between physical activity and mental health. However, there was no proper knowledge about the physical activity levels of inpatients with Severe Mental Illness (SMI) in long-term psychiatry. The purpose of this exploratory study was to objectively measure the level of physical activity of this population for the first time on a large scale and to compare this with data from people without SMI. Gender differences and the relationship with subjectively assessed physical inactivity were investigated. A second aim of the study was to explore the relationship between physical activity and quality of life. Relationships with demographic and disease characteristics were examined for both physical activity and quality of life. The third aim of the study was to examine the relationship between attitude and self-efficacy with the level of physical activity. Method. A cross-sectional controlled design was conducted at the psychiatric hospital of GGZ Centraal, Zon & Schild, Amersfoort (The Netherlands). Participants were 184 inpatients of the long-term psychiatry wards and a control group consisting of 54 employees of GGZ-Centraal. Physical activity was measured with actigraphs (ActiGraph GT3X+) to identify sedentary, light and moderate to vigorous (MVPA) activity. Objectively measured physical activity was compared with the subjectively measured subscale for inactivity of the Nurse Observation Scale for Inpatient Evaluation (NOSIE). Quality of life was measured with the EuroQol-5D and the World Health Organisation Quality of Life-Bref. Attitude was measured by the Physical Activity Enjoyment Scale (PACES) and self-efficacy with the Multidimensional Self Efficacy Scale (MSEQ). Differences between groups were analysed using t-tests (continuous variables) and Pearson chi-square tests (categorical variables). Pearson’s bivariate correlations and multiple regression models were used to test for associations between physical activity, quality of life, attitude and self-efficacy and demographic and disease characteristics. Results. Patients were very sedentary and significantly less active compared to the control group. Age was negatively related to physical activity. There was a moderate relationship between the objectively measured physical activity and subjectively assessed inactivity. Higher physical activity was associated with a higher quality of life on the EQ-5D index score and the physical domain of the WHOQoL-Bref. In regression analyses, physical activity was not associated with the quality of life for these domains. Men had a better physical quality of life. A higher severity of illness was associated with a lower quality of life. Both were significant in regression analysis. Use of antidepressants and a combination of the two generations antipsychotics were both associated with a lower psychological quality of life. Schizophrenia and bipolar mood disorder were significantly associated in regression models for physical quality of life (R2Adj. = .12) and the EQ-5D index score (R2Adj. = .11), respectively. However, because of the low explained variances, it is difficult to draw conclusions to the significant variables in these models. Attitude and self-efficacy were not associated with objectively measured physical activity. Conclusion. This study objectively demonstrates the predominant sedentary behaviour of patients with SMI in long-term psychiatry for the first time on a large scale. Patients were far less active than people without SMI. Older patients were less active. The NOSIE-subscale for inactivity seems to be a moderate measure to estimate the level of physical activity. Patients with a higher physical activity had a higher quality of life on scales that mainly measured physical condition. Higher severity of illness and the use of antidepressants and a combination of two generations of antipsychotics negatively influenced quality of life. Due the lack of relationships between attitude and self-efficacy with physical activity, it seems to be ineffective for future interventions to focus on patients’ cognitions. Integrating encouragement of activity into the daily structure of patients’ treatment can be a first step towards increasing physical activity. Measuring physical activity in this population remains complex. However, outcomes of this study indicate (together with all known health benefits and the growing interest and relevance towards physical activity in mental health care) that more research is desirable.
Item Type:Essay (Master)
Faculty:BMS: Behavioural, Management and Social Sciences
Subject:77 psychology
Programme:Psychology MSc (66604)
Link to this item:http://purl.utwente.nl/essays/64881
Export this item as:BibTeX
EndNote
HTML Citation
Reference Manager

 

Repository Staff Only: item control page