Van kaal naar integraal: het opstellen van een integraal kostenafwegingsmodel voor varianten van kunstwerken in de studiefase

Creemer, Frits (2004) Van kaal naar integraal: het opstellen van een integraal kostenafwegingsmodel voor varianten van kunstwerken in de studiefase.

[img]
Preview
PDF
19MB
Abstract:Aanleiding tot dit onderzoek vormt de binnen de Bouwdienst vigerende vraag of het maken van een keuze tussen verschillende varianten van een gekozen kunstwerkalter-natief in de (voor)studiefase niet op basis van meer kosten(elementen) dan alleen de stichtingskosten dient te geschieden. In dit onderzoek staat de beantwoording van de volgende probleemstelling centraal: Welke kosten(elementen) dienen in een kostenafwegingsmodel van varianten voor kunstwerken in de studiefase door Rijkswaterstaat te worden meegenomen en hoe zijn deze kosten(elementen), rekening houdend met onzekerheden, om te zetten in een integraal kostenafwegingsmodel om tot een meer gefundeerde keuze te komen ten aanzien van de voorkeursvariant? In eerste instantie zijn door middel van een literatuurstudie (kosten)indelingen bekeken en vergeleken met een referentie-kostenindeling gebaseerd op levensduurkosten. Dit leverde geen betere (kosten)indeling op als de referentie-kostenindeling, maar wel aanvullende 'discriminerende' kostenelementen. Met deze resultaten is in tweede instantie een 'nieuw' integraal kostenindelingsmodel gebouwd. Vervolgens is gekeken naar het belang van de kostenelementen in dit nieuwe integrale kostenindelingsmodel. Hieruit bleek dat het belang van de 'discriminerende' kostenelementen bouwkosten, ontwerpkosten, onderhoudskosten en maatschappelijke kosten bij de afweging van varianten het grootste is, respectievelijk 67%, 11%, 5% en 13% (als het totaal aan 'discriminerende' kostenelementen samen 100% is). Van de bouwkosten, ontwerpkosten en onderhoudskosten zijn vervolgens de specifieke onzekerheden bekeken, waarvan de kengetal-onzekerheden de belangrijkste zijn. Door deze kengetallen meer betrouwbaar te maken, neemt ook de betrouwbaarheid van de ramingen toe. Vervolgens is op grond van bovenstaande resultaten een integraal kostenafwegingsmodel opgesteld. Dit model komt er op neer dat van de 'discriminerende' fysieke kunstwerkelementen van een variant de 'discriminerende' kostenelementen worden bepaald. Vervolgens vindt daarop afweging plaats tussen de varianten, rekening houdend met hun onzekerheden. Om het opgestelde kostenafwegingsmodel in de praktijk te toetsen zijn drie case-studies verricht. De resultaten daarvan laten zien dat ook andere, nog niet beschreven (bv. politieke), overwegingen ten grondslag kunnen liggen aan de keuze voor een voorkeursvariant. Daarnaast blijkt het integrale kostenafwegingsmodel het beste bij afwegingen voor de grotere kunstwerken te kunnen worden gebruikt waarbij meerdere, min of meer zelfstandige varianten aan de orde zijn. De onderhoudskosten zijn niet 'discriminerend' gebleken, omdat enerzijds de verdisconteerde onderhoudskosten relatief gering zijn t.o.v. bouwkosten en anderzijds een duurdere brug qua bouwkosten dat ook qua onderhoudskosten bleek te zijn en vice versa. Het totale percentage aan 'discriminerende' onderhoudskosten is bij een totale nauwkeurigheid van de kosten van ± 20% verwaarloosbaar bij de afweging.
Item Type:Essay (Bachelor)
Clients:
Bouwdienst Rijkswaterstaat, Utrecht
Faculty:BMS: Behavioural, Management and Social Sciences
Subject:56 civil engineering
Programme:Civil Engineering BSc (56952)
Link to this item:http://purl.utwente.nl/essays/68339
Export this item as:BibTeX
EndNote
HTML Citation
Reference Manager

 

Repository Staff Only: item control page