Parallelliteit tussen openbaarvervoersmodaliteiten : een onderzoek naar besliscriteria binnen het Twentse openbaar vervoersnetwerk

Feitsma, G. (2013) Parallelliteit tussen openbaarvervoersmodaliteiten : een onderzoek naar besliscriteria binnen het Twentse openbaar vervoersnetwerk.

[img]
Preview
PDF
7MB
Abstract:In dit onderzoek is een scoremodel opgesteld voor Regio Twente om een gefundeerde beoordeling te kunnen geven wanneer het wel of niet wenselijk is om parallel aan een treinverbinding ook de busverbinding te laten rijden. Dit scoremodel beoordeelt een traject op basis van drie sets trajectkenmerken: lijnkenmerken, ritproductiegebieden en ritattractiepunten, zie Tabel 1. Hoe hoger de score van een traject, des te meer legitiem een parallelle busverbindingen op het traject is. De basis voor dit model is gevormd door literatuur- en praktijkonderzoek. Literatuuronderzoek heeft richtlijnen gegeven hoe de bus concurreert met de trein, de fiets en de auto. De bus en de trein beconcurreren elkaar, maar de bus dient ook veelvuldig als voor- en natransport van een treinrit. Reizigers hebben een basisvoorkeur voor de trein en kiezen daarnaast voor de trein of de bus op basis van kwantitatieve factoren als reis- en overstaptijd en kwalitatieve factoren als informatievoorziening en comfort. De fiets beconcurreert de bus voornamelijk op voortransportritten. Hoe korter het voortransport is, des te meer concurreert de fiets met de bus. Dit geldt eveneens bij reguliere ritten, al blijft de fiets tot op grote afstanden concurreren met de bus. Hoewel het busgebruik vooral onder scholieren relatief hoog is, is het ritaandeel van de fiets voor alle motieven hoog. Met name op korte ritten concurreert de bus nog enigszins met de auto. Opvallend is dat de bus en de auto niet op gelijke gronden vergeleken worden en dat emotionele waarde voor de auto de overstap naar de bus bemoeilijkt. Daarnaast hebben OV-verbindingen met een overstap een aanzienlijk slechtere concurrentiepositie ten opzichte van de auto dan directe OV-verbindingen. Naast literatuuronderzoek heeft onderzoek naar parallelliteit in de praktijk input voor het scoremodel geleverd door antwoord te geven op de procesmatige deelvragen van dit onderzoek. Drie typen trajectkenmerken kunnen de inzet van een parallelle busverbinding legitimeren. Ten eerste kunnen dorpen, excentrisch gelegen nieuwbouwwijken en stadswijken ritten produceren waarbij de bus aantrekkelijker is dat de trein. Ten tweede kunnen onderwijsinstellingen en winkelcentra die zich in het gebied tussen twee treinstations bevinden busreizigers aantrekken. Ten slotte kan een excentrisch gelegen treinstation de aantrekkelijkheid van de bus ten opzichte van de trein verhogen, evenals een goede aansluiting op vervolg-OV op het begin- en eindstation. Daarnaast is het inzichtelijk geworden hoe en op welke gronden buslijnen in de praktijk opgeheven worden. Vervoerders dienen een opheffingsverzoek in wanneer zij een buslijn niet meer rendabel achten. Dit verzoek wordt veelal beargumenteerd op basis van reizigersaantallen of de aanwezigheid van aannemelijke 6 ritalternatieven, al dan niet met een overstap. De concessieverlener besluit na raadpleging van de betrokken gemeenten en het ROCOV over de opheffing van een buslijn. Op basis van dit literatuur- en praktijkonderzoek is vervolgens een scoremodel gemaakt dat op grond van trajectkenmerken een uitspraak doet over de legitimiteit van de parallelle buslijn. Vervolgens is dit scoremodel toegepast op acht parallelle trajecten in of net buiten Twente om in kaart te brengen welke parallelle trajecten Twente op dit moment kent en hoe deze op dit moment functioneren. Daarnaast heeft deze analyse ook vooral de werking van het scoremodel zelf geëvalueerd. Na afloop van de evaluatie is het scoremodel op verschillende punten aangepast. Bij de beoordeling worden punten toegekend aan de aanwezigheid van HOV en is de score voor de maatschappelijke functie van een lijn afhankelijk gemaakt van het aantal inwoners van de kern. Op dezelfde manier is ook de score voor de stadsfunctie van een lijn afhankelijk gemaakt van het aantal inwoners van de wijken. De attractiewaarde van onderwijsinstellingen is eveneens afhankelijk gemaakt van het aantal leerlingen van de instelling, om de attractie van kleine onderwijsinstellingen niet te overschatten. Na verfijning van het scoremodel zijn ook de gewichten tussen de trajectkenmerken over ritproductiegebieden, ritattractiepunten en lijnkenmerken aangepast, zodat scores ritattractiepunten en lijnkenmerken relatief zwaarder mee zijn gaan wegen. Ten slotte is geconstateerd dat het model vooral oordeelt op basis van noodzakelijkheid en niet in staat is om wenselijkheid van een busverbinding adequaat te beoordelen. Een noodzakelijke busverbinding is een buslijn die als enige OV-modaliteit een bepaald punt of gebied via het openbaar vervoer ontsluit. In de regio Twente is het gebruikelijk om iedere kern, ongeachte de grootte, te ontsluiten via het openbaar vervoer. Naast noodzakelijke buslijnen zijn ook wenselijke buslijnen te onderscheiden. Deze buslijnen bieden geen noodzakelijke ontsluiting, maar bedienen specifieke doeleinden bovenop de noodzakelijke lijnen. Verder onderzoek naar het onderscheiden van noodzakelijke en wenselijke buslijnen en de implementatie hiervan in het model, is noodzakelijk.
Item Type:Essay (Bachelor)
Faculty:ET: Engineering Technology
Subject:56 civil engineering
Programme:Civil Engineering BSc (56952)
Link to this item:http://purl.utwente.nl/essays/71425
Export this item as:BibTeX
EndNote
HTML Citation
Reference Manager

 

Repository Staff Only: item control page